GEDICHT

De dichter is deze maand een van de “grandes dames” van de twintigste -eeuwse  Russische literatuur.

Marína Ivánovna Tsvetájeva (1892-1941) schreef poëzie, proza en toneel. In het Rusland van die tijd viel zij op door geen ideologie aan te hangen. Zij vluchtte voor het communisme, werd uiteindelijk ook afgewezen door de emigratie (o.a. Parijs) en keerde in 1937 terug naar de Sovjetunie. Zij voelde zich  bedreigd en vervolgd en pleegde in 1941 zelfmoord. Haar werk bestrijkt vele onderwerpen, vaak de liefde maar ook andere intrapsychische en interpersoonlijke zaken; politieke of maatschappelijke onderwerpen ontbreken vrijwel.

Haar poëzie is knap geconstrueerd, soms lastig te volgen.  Daarom koos ik voor mijn eigen gemak een eenvoudig gedicht dat het verdriet van een moeder beschrijft in oorlogstijd, geschreven 14 mei 1918 tijdens de burgeroorlog in Rusland.

Het is ontleend aan “Sotsjnenija v dvoex tomach”  (Werken in twee delen1980/1984)  

TSVETAJEVA(1892-1941)

 

VERTALING 

“Vergeef mij, mijn bergen!

Vergeef mij, mijn rivieren!

Vergeef mij, mijn akkers!

Vergeef mij, mijn grassen!”

 

De moeder deed een kruis op de soldaat,

De moeder nam voorgoed afscheid van de zoon…

En weer uit het vervallen stulpje:

“Vergeef mij, mijn rivieren!”

TRANSLITERATIE

“Prastjítje mjinjá, mají góry!

Prastjítje mjinjá, mají rjékji!

Prastjítje mjinjá, mají njívy!

Prastjítje mjinjá, mají trávy!”

 

Matj-krest nadjivála soldátoe,

Matj s sýnom prasjtsjális’ navjekji…

I snóva iz sgórblennoj cháty:

“Prastjítje mjinjá, mají rjékji!”

 

 

 


reageer op het gedicht